It‘s the industry, stupid!

27/04/2011 - Er is de laatste tijd al heel wat geschreven over de toekomst van de industriële nijverheid in onze regio. Deze discussies laten vanzelfsprekend ook onze organisatie niet onberoerd.


Het ABVV pleit reeds lang voor de ontwikkeling van nieuwe toekomstperspectieven voor onze industriële sectoren en is als één van de weinigen nooit mee gestapt in het verhaal van de zogenaamde postindustriële diensteneconomie.

Het onderscheid tussen industrie- en dienstensectoren mag dan wel vager worden, het blijft de industrie die de grootste productiviteitswinsten boekt en daarmee een belangrijke bijdrage levert aan onze economische groei. Onze export bestaat zelfs nog steeds voor ca. 90 procent uit industriële producten. Dit alles betekent natuurlijk niet dat dienstenactiviteiten minder waard zijn dan industriële, maar wel dat de commerciële diensten moeten kunnen steunen op een stevige industriële basis.

Op dit moment legt de Vlaamse Regering de laatste hand aan haar lang verwachte Witboek voor een Nieuw Industrieel Beleid in Vlaanderen. De regering zegt met dit beleidsplan de transformatie van de industriële activiteiten in Vlaanderen te willen versnellen. Het is evenwel belangrijk om bij het opmaken van dit witboek te vertrekken van de juiste diagnose om vervolgens geschikte remedies te kunnen voorstellen. Zo krijgen we met de regelmaat van de klok doemscenario’s te horen over het voortbestaan van de industrie in Vlaanderen. Daarbij wordt nogal eens makkelijk gepleit voor oude recepten als loonmatiging en algemene fiscale kortingen voor bedrijven om te verhinderen dat deze met de noorderzon zouden vertrekken.

Het is echter onjuist om naar de globalisering (dmv. delokalisering) te wijzen als hoofdreden voor de sterke vermindering van onze industriële tewerkstelling de afgelopen jaren en het afnemend aandeel van deze sector in de toegevoegde waarde. Het zijn namelijk de continue productiviteitsstijgingen in de industriële bedrijven die ervoor zorgen dat we vandaag meer goederen produceren, met minder mensen en tegen lagere prijzen. Zo bedroeg de gemiddelde arbeidsproductiviteit in 1999 van een werknemer in de industrie 66.900 euro. In 2009 was dit al 81.900 euro (een productiviteitsstijging van gemiddeld 22 % op tien jaar tijd).

Daarmee wil ik zeker niet gezegd hebben dat er geen vuiltje aan de lucht is, noch is dit een pleidooi voor zachte heelmeesters. Wel hebben we eerder nood aan gerichte chirurgische ingrepen dan aan losgeslagen beenhouwers op het vlak van loonvorming en fiscaliteit. Als er zich in specifieke industrietakken problemen voordoen op het vlak van loonkosten of fiscale lasten, zullen wij het debat daarover nooit uit de weg gaan. Maar als generiek beleid is hierop inzetten weinig creatief en hiermee zal ook geen enkele weggeautomatiseerde job terugkeren.

Nood aan een drieledige investeringsagenda

Vanuit werknemersperspectief zijn er drie belangrijke assen waar het nieuwe industrieel beleid moet op inzetten: investeren in belangrijke maatschappelijk behoeften, investeren in onderzoek en ontwikkeling en investeren in mensen.

Het transformatieproces moet geënt worden op het tegemoetkomen aan huidige of in de nabije toekomst voorspelbare maatschappelijke behoeften. De vergroening van onze economie en het voorbereiden van de gevolgen van de vergrijzing vormen daarbij twee belangrijke speerpunten. Voorbeelden uit het verleden tonen aan dat het werken met grote projecten hierbij een mobiliserend effect kan hebben voor heel de economie. Niets weerhoudt onze regering ervan ambitieus te durven zijn in het formuleren van projecten op het vlak van CO2-reductie of het bestrijden van fijn stof. Zo kondigde de Zweedse Regering in 2006 al aan tegen 2020 de eerste olieonafhankelijke economie ter wereld te willen worden.

Om de competitiviteit van onze industrie op peil te houden zijn voldoende investeringen in onderzoek en ontwikkeling onontbeerlijk. Dit geldt zowel voor de financiering van grensverleggend fundamenteel onderzoek, als voor het investeren in de ontwikkeling van nieuwe producten en diensten. De Vlaamse Regering is in het regeerakkoord en in het Pact 2020 het engagement aangegaan om tegen 2014 de zogenaamde drie procent norm te halen. Volgens deze norm moet een land 3 % van zijn BBP investeren in onderzoek en ontwikkeling. Deze inspanning moet zowel gedragen worden door de overheid (1 %) als door de bedrijven (2 %).

Door de besparingsdrift van de afgelopen jaren staat het nu al vast dat de overheid haar deel van deze norm in 2014 niet meer kan halen. Het valt zelfs sterk te betwijfelen of de Vlaamse Regering haar Europees engagement, om deze norm tegen 2020 te behalen, zal kunnen nakomen zonder op zoek te gaan naar bijkomende inkomsten. Maar ook de bedrijven staan met een investeringstotaal van 1,40 % van het BBP in onderzoek en ontwikkeling nog ver af van de vooropgestelde 2 %.

In een kleine regio als Vlaanderen kunnen de schaarse middelen best ingezet worden op een beperkt aantal clusters, waar we het potentieel hebben om werkelijk een competitief voordeel uit te bouwen. De Vlaamse Raad voor Wetenschaps- en Innovatiebeleid heeft reeds een verdienstelijke poging ondernomen om enkele speerpunten naar voor te schuiven. Toch kan deze oefening nog verfijnd worden. Het Waalse Marshallplan kan hierbij met zijn vijf duidelijk afgebakende concurrentiepolen tot inspiratie dienen.

Vanzelfsprekend moet het nieuwe industrieel beleid ook bouwen aan een stevige sociale pijler. Een toekomstgericht samenleving investeert volop in de opleiding van haar bevolking. Levenslang leren is niet alleen een verantwoordelijkheid van de werknemer, ook de overheid en de werkgevers moeten hun duit in het zakje doen. In België investeren de bedrijven slechts 1 % van de totale loonmassa in de opleiding van hun personeel. Veel minder dan in Nederland, het Verenigd Koninkrijk of de Scandinavische landen. Ook veel minder dan de 1,9 % die de werkgevers beloofden te investeren bij het ondertekenen van het IPA 2007 – 2008.

Niet alleen op het vlak van opleiding kan er nog vooruitgang geboekt worden, ook het verhogen van de werkbaarheid in de industrie is een grote uitdaging. Nog te vaak wordt werken in de industrie geassocieerd met repetitief en afstompend werk. Werkbaar werk betekent volgens de definitie van de Sociaal-Economische Raad Vlaanderen (SERV) dat werknemers geen last hebben van werkstress, gemotiveerd zijn, voldoende leermogelijkheden krijgen en werk en privéleven goed kunnen combineren. Het benutten van alle talenten betekent ook dat werknemers meer inspraak krijgen in hun takenpakket en dat de werkorganisatie wordt ingevuld op maat van de werknemers. Bovendien is een hogere werkbaarheidsgraad de belangrijkste stap naar een hogere werkzaamheidgraad.

Kiezen voor overleg

Het is duidelijk dat de discussie over de toekomst van onze industrie niet alleen een zaak kan zijn van politici, enkele academici en werkgevers. Deze discussie belangt alle Vlaamse werknemers aan. Momenteel worden de vakbonden op bedrijfs- of sectorniveau te vaak pas aan tafel gevraagd wanneer er grote herstructureringen op het menu staan. We moeten dus tot een verbreding van de inhoud van de sociale dialoog komen en als vakbond volwaardig betrokken worden bij de uitwerking van strategische sectorale actieplannen.

Ook binnen onze eigen organisatie zullen we hiervoor meer inspanningen moeten leveren. Recent onderzoek naar innovatie op de werkvloer wijst uit dat de meeste innovatieve ideeën binnen een bedrijf vanuit het personeel komen en zeker niet alleen vanuit het management of de O&O-afdeling. Maar recent onderzoek van de Nederlandse socioloog Han Bakker toont aan dat het management in bedrijven vaak weinig openstaat voor creatieve ideeën van het personeel. Het uitbreiden van de sociale onderhandelingen naar het bespreken van innovatieve ideeën geeft de mogelijkheid om de onschatbare ervaring en ideeën van onze tienduizenden leden en militanten aan te wenden voor het versterken en verduurzamen van onze industrie.

Caroline Copers
Algemeen Secretaris Vlaams ABVV

Lees ook

Zoek op trefwoord

globalisering industrie innovatie